Back excercises Verbal predicate HOME

Verbal predicate = VP
Fill in all the gaps, then press "Check" to check your answers.

1. Hij heeft de hele avond televisie gekeken.
VP =
2. Volgens de buren staat het geluid wel erg hard.
VP =
3. In de vakantie mag jij er voor zorgen.
VP =
4. Hem vroegen ze niets.
VP =
5. Ronald wil graag met je meerijden.
VP =
6. Durf jij daar te blijven staan?
VP =
7. Hij stond zeker een uur te wachten.
VP =
8. Hij had daar moeten staan.
VP =
9. Hij vergist zich de laatste tijd wel erg vaak.
wg =
VP. Zij heeft zich opgegeven voor de wedstrijd
wg =
11. Hij at heel vaak zijn boterhammen niet op.
VP
12. Zijn voorstel keurde het bestuur niet goed.
VP=
13. Loop toch eens door!
VP =
14. Zij wast zich elke dag
VP =