Back excercises The finite form and subject HOME

Subject and finite form
Fill in all the gaps, then press "Check" to check your answers.
s = subject ff = finite form

1. Zij loopt naar de keuken. s = ff=
2. Dat liedje kreeg van Letland de meeste punten. o = pv =
3. Morgen speelt Ajax tegen AZ. o = pv =
4. De orkaan heeft een groot deel van de stad verwoest. o = pv =
5. Wij zijn tijdens onze vakantie daar ook geweest. o = pv =
6. Door mijn schuld is het bad overgelopen. o = pv =
7. Men hoopt daar nog veel te bereiken. o = pv =
8. De klimop doet het erg goed. o = pv =
9. De onkosten zullen ook dit jaar weer stijgen. o = pv =
10. Wie zit daar te lachen? o = pv =
11. Door dat ongeval werd de auto zwaar beschadigd. o = pv =
12. De jeugd speelt graag spelletjes op de computer. o = pv =
13. Niet iedereen kan daar naar toe. o = pv =
14. Wat valt daar nu van te zeggen. o = pv =